Jan Timmermans - Katholiek lager onderwijs in Tilburg 1832-1932
Kunt u iets over uzelf vertellen?
Geboren in 1938 onder de aanvliegroute van vliegveld Gilze-Rijen heb ik vier jaar de aanvallen van de geallieerden op het vliegveld gezien en gehoord, om daarna nog een jaar de aanvallen van de Duitsers mee te maken. Vanwege die omstandigheden heeft de kleuterschool mij niet gezien, terwijl ik ook pas rond kerst naar klas één van de lagere school ging, om die door ziekte een jaar te onderbreken. Uiteindelijk heb ik voldoende uren in het onderwijs doorgebracht, want pas in 1982 liet ik het onderwijs achter me. Het laatst in de functie van docent onderwijskunde aan een pedagogische academie. In mijn bezigheden als wethouder was onderwijs een belangrijk onderdeel, zeker ook, omdat ik al die tijd lid was van de commissie onderwijs van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Na mijn terugtreden in 1994 heb ik wel veel bestuurlijke activiteiten verricht, maar sporadisch binnen het onderwijs.
Waar komt de passie voor historisch onderzoek vandaan?
Tijdens mijn 'werkzaam leven' heb ik heel vaak geprobeerd te achterhalen waarom iemand dacht en handelde zoals ik het dacht waar te nemen. Soms ontdekte ik dat er sprake was van een soort automatisch teruggrijpen op vroegere (verouderde vond ik) standpunten. Als ik die waarneming uitspraak, merkte ik bij betrokken personen en heroverweging van hun standpunt. Heerlijk waren de gesprekken in landelijk verband met collega's uit andere steden als het ging over de relatie tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Natuurlijk hadden ze gelijk als ze stelden dat het katholieke lager en voortgezet onderwijs in Tilburg (en andere katholieke steden) zich wel erg dominant gedroegen. Maar bij doorvragen kwam ik er achter dat in steden met heel veel openbaar onderwijs, de overheersing aan de andere kant lag. Gelukkig besteedden we meer tijd aan het proberen op te lossen van echte onderwijsproblemen, zoals de uitval van veel jongeren uit het onderwijs.
Waarom bent u dit gaan onderzoeken?
Voor mij waren de contacten met veel aspecten van het onderwijs redenen om eens te kijken hoe dat katholieke lager onderwijs zich in Tilburg had ontwikkeld. Het begin was heel duidelijk: in 1832 werd de eerste katholieke lagere school gesticht. Een school voor arme meisjes uit parochie 't Heike. Ik wilde voor WO II eindigen, want de bestudering van het onderwijs tijdens de oorlog vraagt een eigen aanpak, terwijl na 1945 langzaam het "Rijke Roomsche Leven", zich naar een voltooiing bewoog. Vraagt ook een eigen benadering.
Kunt u iets vertellen over waar u bij uw onderzoek tegenaan gelopen bent?
Bij de bestudering van gemeentelijke stukken, zoals jaarverslagen en informatie die raadsleden te lezen kregen en hun reactie daarop in de gemeenteraad, valt steeds weer op dat het gemeentebestuur het maken van beleid over liet aan het maatschappelijk initiatief. Dat was gedurende een groot gedeelte van de negentiende eeuw algemeen gangbaar in het denken van de overheid. Tilburg was 'gezegend' met de aanwezigheid van veel religieuzen (priesters, zusters en fraters), die met beide handen hun kans grepen. Kijkend met de ogen van nu kunnen vraagtekens (positief en kritisch) geplaatst worden bij verschillende activiteiten, maar toen waren de uitvoerenden kinderen van hun tijd, zoals wij dat van de onze zijn.
Een tweede opvallend punt is het denken en handelen met betrekking tot het 'doorleren'. Bij de arbeidsenquête van 1887 was er bij de ondervraagden weinig/geen belangstelling voor het verlengen van de lagere school. Ook het schoolhoofd, frater Xaverius Dijkhoff, had meer begrip voor de verwachting van de ouders dat het kind een bijdrage zou leveren aan het gezinsinkomen. Na de invoering van de leerplicht in 1900 werd voor een aantal kinderen uit arbeiderskringen, lager onderwijs geen eindonderwijs meer. Er kwamen ook meer mogelijkheden voor voortgezet onderwijs, maar het heeft nog decennia geduurd voordat het gebruik maken van voortgezet onderwijs echt algemeen gangbaar werd. Welke rol de individuele frater-onderwijzers gespeeld hebben in dit dossier is moeilijk te achterhalen, maar bij zijn bezwaar tegen de leerplicht schreef Pater Superior De Beer in 1899 omfloerst dat niet alle kinderen dezelfde leerweg hoefden te volgen.
Wat heeft u nog meer ontdekt?
Interessant is ook het verschijnsel 'werkschool'. De werkschool verschijnt in verschillende gedaanten in de vakliteratuur, maar nergens kom je informatie tegen over de werkwijze van zo'n school. In de meest negatieve vorm werd aan meisjes uit arme gezinnen naailes en breiles gegeven, gelardeerd met tuttig godsdienstonderwijs. Misschien is wel de meest positieve ontdekking dat in Nederland de werkschool veel minder kansen heeft gekregen dan bijvoorbeeld in België.
In het boek besteden we veel aandacht aan het klassikaal onderwijssysteem dat vanaf 1806 het hoofdelijk onderwijs opvolgde. Het systeem werd steeds geperfectioneerd, om in 1932 een soort einddoel te bereiken. Belangrijk is dat onverbrekelijk met het onderwijssysteem de onderwijsgebouwen waren. En daar staan er nog veel van in de stad, functionerend of met een andere invulling.