Alex van Dongen – De Tilburgse ‘Peaky Blinders’

Twee jaar lang sprak socioloog Alex van Dongen met Janus Verhagen, telg uit een beruchte Tilburgse familie. De gesprekken leidden tot een boek waarin Van Dongen het verhaal vertelt van drie generaties smokkelaars en van daaruit van de Tilburgse onderwereld in de twintigste eeuw.

Het boek is hier te bestellen: https://www.picturespublishers.nl/product/de-tilburgse-peaky-blinders/

Kunt u iets over uzelf vertellen? Wie is drs. Alex van Dongen?

In januari 2004 ben ik afgestudeerd als socioloog aan de Universiteit van Tilburg. Mijn afstudeeronderzoek ging over voetbalgeweld. Hiervoor heb ik groepen voetbalsupporters geïnterviewd met een stadionverbod. De rafelrandjes van de samenleving fascineerden mij toen al. Sinds april 2004 ben ik werkzaam bij Novadic-Kentron, een instelling voor verslavingszorg. Ik houd me daar bezig met zowel casuïstiek als onderzoek. Op het gebied van casuïstiek richt ik me veelal op mensen die kampen met verslavingsproblemen maar eigenlijk niets met de zorg te maken willen hebben. Ik probeer ze vervolgens te verleiden om toch een zorgtraject aan te gaan. Mijn onderzoeken kennen steeds een andere focus. Soms gaat het over trends in drugsgebruik en dan weer over knelpunten in het zorgaanbod. Een enkele keer kent het onderzoek een historisch karakter, zoals een artikel over de veronderstelde parallellen tussen de drooglegging in Amerika en de opiumoorlogen in China. Regelmatig heb ik in mijn onderzoeken samengewerkt met gerenommeerde onderzoeksbureaus, zoals Tranzo en het IVO. In vrijwel al mijn onderzoek staat centraal dat ik niet alleen bronnen bestudeer, maar ook contact leg met de mensen waar het echt over gaat. Ook bij de geschiedenis van het smokkelen in Brabant probeer ik alle kanten te belichten. Niet romantiseren of veroordelen, maar de geschiedenis vanuit verschillende invalshoeken belichten.  

Waar komt uw passie voor historisch onderzoek vandaan?

Waanzin is steeds opnieuw hetzelfde doen en dan verschillende uitkomsten verwachten”. Deze bekende quote vat eigenlijk in één zin samen wat mij zo fascineert aan historisch onderzoek. Mensen zijn geneigd de paden te bewandelen die vertrouwd voelen, toch verwachten ze vaak ergens anders uit te komen. Ook in mijn onderzoek naar de smokkelgeschiedenis van Brabant valt het op dat de overheid steeds denkt het smokkelen onder controle te krijgen door nieuwe repressieve maatregelen te introduceren en de wetgeving aan te passen. Telkens lijkt het ook even te werken, maar dan duikt het probleem toch weer op in een iets andere verschijningsvorm.

Waar gaat uw onderzoek over?

Smokkelen is omgeven met een waas van romantiek. Er doen veel verhalen de ronde over de tijd dat er nog een echte grens liep tussen Nederland en België. Grote prijsverschillen maakten het de moeite waard goederen illegaal de grens over te brengen. Begin jaren 60 komt er door de landbouwpolitiek van de EEG een einde aan de traditionele smokkelhandel met België. Het smokkelnetwerk verdwijnt daar echter niet mee en het zou niet lang duren voordat dit netwerk wordt ingezet om illegale alcoholstokerijen op te zetten. Later kwamen daar de productie van synthetische drugs en de wietkwekerijen bij.

Wie waren die smokkelaars nu echt? En wie waren hun opvolgers? Prof. Pieter Tops en Jan Tromp stellen in het spraakmakende boek ‘’De achterkant van Nederland’’ dat bepaalde volksbuurten hun eigen ‘’legendes’’ hebben, zoals de vier broers Verhagen in Broekhoven, Tilburg. De broers Peer, Sjef en Janus zijn in de eerste helft van de twintigste eeuw doodgeschoten en de oudste broer Toon groeit tijdens de bevrijding uit tot de held van de stad. Dit boek brengt hun verhaal, dat van hun kinderen en kleinkinderen tot leven, maar ook dat van een crimineel milieu waaraan het moeilijk ontsnappen is.

Er zijn meer boeken over beruchte families, maar dit boek is geschreven met één van hen. De lezer krijgt hierdoor een unieke inkijk in het reilen en zeilen van de Tilburgse onderwereld in de twintigste eeuw: confrontaties met de politie, de verhoudingen tussen de smokkelaars onderling, de overgang van smokkelen naar andere vormen van criminaliteit etc.

Waarom bent u dit gaan onderzoeken?

Er is recentelijk vanuit de criminologie meer aandacht voor familienetwerken waarin criminaliteit van generatie op generatie wordt doorgeven. Vooralsnog beperkt dit onderzoek zich tot anoniem bronnenonderzoek. Om de Brabantse smokkelgeschiedenis echt te begrijpen is het mijns inziens nodig om niet alleen de bronnen te bestuderen, maar ook de mensen daarachter aan het woord te laten.

Kunt u iets vertellen over waar u bij uw onderzoek tegenaan gelopen bent?

Het bijzondere aan dit boek is dat het van binnenuit is beschreven. Twee jaar lang heb ik elke woensdagmiddag afgesproken met Janus Verhagen, die inmiddels met zijn 75 jaren tevens de oudste kroegbaas is van Tilburg. Ik ging op zoek naar allerlei oude krantartikelen, rechtbankdossiers en andere informatie over de familie. Janus verzamelde oude brieven en verhalen die binnen de familie bewaard zijn gebleven. Regelmatig bleek de informatie uit bijvoorbeeld de rechtbankdossiers niet overeen te komen met hoe het verhaal in de familie is doorverteld of opgeschreven. Aan de andere kant verbaasde het mij dat bepaalde details zo goed zijn doorverteld. Zo wist een zestiger de naam van een wachtmeester te noemen die bij een geweldsincident was betrokken in de jaren 30 van de vorige eeuw. In dit onderzoek is mij duidelijk geworden dat de waarheid niet bestaat, maar wel dat er verschillende zienswijzen zijn op gebeurtenissen. In dit boek worden de verschillende zienswijzen belicht. De lezer mag zelf zijn conclusies trekken.

Wat heeft u ontdekt? 

In dit boek komen de nazaten van smokkellegendes aan het woord. Niet om hun verhalen te romantiseren. Dat doet Janus Verhagen zelf ook niet. Elke generatie van zijn familie had te maken met geweld. Nog in 2000 werden twee van zijn broers doodgeschoten. Dit boek geeft niet alleen op unieke wijze inzicht in de achtergronden van de misdaad in Noord-Brabant en de criminele ontwikkelingen van generatie op generatie binnen een familie, maar geeft ook een exclusief inkijkje in hoe dit van binnenuit is beleefd. Dat maakt het boek historisch interessant en spannend, met daarbij een scherp oog voor sociale aspecten.

Jos Wassink – Dagelijks leven in ‘ontugt’. Prostitutie in de vestingstad ‘s-Hertogenbosch, 1629-1795

Na de verovering van ’s-Hertogenbosch door Frederik Hendrik in 1629 bleef in de stad een flink garnizoen van het Staatse leger achter. De inkwartiering van de duizenden militairen gedurende de hele Staatse periode, tot 1795, had een grote impact op de stad. Prostitutie tierde welig.

In Dagelijks leven in ‘ontugt’ komen talrijke aspecten van de prostitutie in ‘s-Hertogenbosch aan bod. Gedetailleerd wordt ingegaan op de organisatie van het prostitutiewezen. De maatschappelijke achtergrond van de vrouwen die erin werkzaam waren wordt belicht. Niet allen behoorden tot de groep van de allerarmsten. Veel aandacht gaat uit naar de exploitatie van de hoerenhuizen; van het werven van personeel en klanten tot de hoogte van het hoerenloon. De lezer krijgt een inkijkje in het dagelijks leven in de bordelen. De locaties van bordelen evenals die van de tippelgebieden komen aan bod. Een aantal vrouwen wordt op de voet gevolgd.

Duidelijk wordt dat voor een omvangrijk deel van de Bossche bevolking armoede en ellende waren verweven met criminaliteit en in het bijzonder met prostitutie. Voor veel arme vrouwen in de 17de en 18de eeuw was prostitutie een wezenlijk aspect van het dagelijkse leven, zeker in een garnizoensstad als ’s-Hertogenbosch. Het was voor hen een manier om het hoofd boven water te houden in een harde wereld van armoede, ellende, vernedering en vervolging. Toch weten we weinig van de vrouwen die zich prostitueerden. In dit boek haalt historicus en voormalig archivaris Jos Wassink hen uit de anonimiteit. Aan de hand van rechtbankverslagen beschrijft hij wie ze waren en hoe hun dagelijks leven eruitzag. Zo laat hij de lezer kennismaken met Maria Greffing, Lucia Hogendorp en Caatje van Aartrijk.

Geen sekswerkers, maar hoeren in Den Bosch in de Staatse tijd

Het boek gaat vooral over de vrouwen die destijds prostitutie bedreven. Jos vindt dat de hedendaagse benamingen als ‘prostituee’ en ‘sekswerker’ niet goed passen bij de vrouwen die hij beschrijft, en gebruikt daarom het woord ‘hoer’. Hij is er zich zeer wel van bewust dat het gewoonlijk pejoratief wordt gebruikt. Bovendien beseft hij terdege dat welke aanduiding dan ook oneigenlijk is, want die vrouwen en meisje waren zo veel meer dan dit etiket.

Er waren verschillende vormen van prostitutie in een grote vestingstad als ’s-Hertogenbosch waar gedurende de Staatse tijd altijd enkele duizenden soldaten in garnizoen lagen. De stad was als het ware een magneet voor hoeren. Er zijn verschillende vormen van prostitutie. Soldatenhoeren volgen de militairen van de ene naar de andere garnizoensstad. In ’s-Hertogenbosch is veel bordeelprostitutie. Daarnaast wemelde het van de tippelaarsters op straat. Vrijwel alle vrouwen die zich prostitueerden waren erg arm. De bordeelhoudsters hadden het financieel niet erg veel beter dan de hoeren.

Wassink vertelt dat er wel enkele vrouwen waren die niet uit een arm milieu kwamen. Zo was er Maria Catharina Heijnissen, stiefdochter van de stadsdokter van Hamburg, die wegliep met medenemen van het zilveren bestek van haar ouders. Ze verkocht het en van de opbrengst leidde ze een vrolijk leventje tot het geld op was. In 1755 belandde ze in ’s-Hertogenbosch in de prostitutie.

Juist die verhalen van uitzonderingen, zoals van Maria Cahtarina Heijnissen en van bordeelhoudster Lucia Hogendorp kunnen interessant zijn. De broer van Lucia was predikant in Zierikzee. Lucia dreef een bordeel vlakbij de bleekvelden in de buurt van de Catharinakerk in ’s-Hertogenbosch. Ze was ondernemend en omdat haar zaak niet zo goed liep, vertrok ze in 1784 met man en kinderen naar Amsterdam om in een louche danslokaal een beter bestaan op te bouwen. Haar man werd een soort uitsmijter bij een ander zaakje. Overdag ging Lucia met tweedehandskleren en huisraad langs de straat. In hun armetierige Amsterdamse behuizing herbergden ze ook nog twee jonge vrouwen.

Het leven in de grote stad viel Lucia tegen. Na een half jaar hield ze Mokum voor gezien en keerde met haar gezin terug naar de Diezestad, naar dezelfde buurt. Ze begon weer een bordeel, waarvoor ze een meisje uit Amsterdam had meegebracht. Haar zaakje kreeg een enigszins internationaal karakter. Er lagen in ’s-Hertogenbosch militairen uit vele streken van Europa, met name uit Zwitserland, het Duitse Rijk en Schotland. Zoals in veel Bossche bordelen werkte bij Lucia ook een meisje uit het Duitse Rijk. Bijzonder was dat ze korte tijd een Engelssprekend meisje uit Yorkshire, Maria Geffing, in huis had. Ze liet aan diverse mannen, via briefjes die haar veertienjarige dochter bezorgde, bekendmaken dat ze in hun eigen taal bediend konden worden.

Maria Greffing was negentien jaar toen ze in 1785 bij Lucia onderdak kreeg en had al een bewogen leven achter de rug. Op haar vijftiende was ze in Hull getrouwd met een Zwitser. In korte tijd waren drie kinderen geboren. Ze stierven alle drie heel jong. Omdat haar man in Hull niet goed aan de slag kon komen, was het stel naar Zwitserland gegaan. Tijdens die reis in 1784 waren ze door ’s-Hertogenbosch gekomen. In Zwitserland liep het huwelijk vrijwel meteen op de klippen. Maria besloot terug te reizen naar haar geboorteplaats en kwam weer door ’s-Hertogenbosch, maar nu alleen. Van een anonieme vrouw kreeg ze de tip dat ze goedkoop onderdak kon krijgen bij Lucia Hogendorp. Allicht had ze snel in de gaten in wat voor huishouden ze was beland. Het gebeurde dat Maria tussen twee mannen werd gezet om wijn met hen te drinken en om ze vervolgens aan hun gerief te helpen. Voor dat genot moesten de mannen haar twee gulden betalen. Maria moest, zoals gebruikelijk in veel bordelen, de helft daarvan afdragen aan Lucia, de hoerenwaardin.

Na tien dagen wilde Maria niet meer in de prostitutie werken en probeerde het huis te ontvluchten. Er brak een geweldige vechtpartij uit. De buren alarmeerden de militaire wacht. Lucia wist over de muur van het nabijgelegen bleekveld te klimmen en liet daar flinke bloedsporen op de lakens achter. Uiteindelijk werden alle vrouwen uit het bordeel gearresteerd. Verbanning was de geëigende straf voor prostitutie. Met Lucia liep het anders af. Haar broer, de Zeeuwse dominee, beloofde de opsluiting van Lucia zelf te regelen en voor de opvoeding van haar dochter te zorgen.

In het boek kun je veel meer lezen over vrouwen uit onder meer het Duitse Rijk en Zwitserland die voor werk op doortocht waren naar het rijke Holland en Zeeland en in ’s-Hertogenbosch bleven hangen om zich daar te prostitueren aan militairen en zo het hoofd boven water probeerden te houden.

Over de auteur

Historicus Jos Wassink woont in ’s-Hertogenbosch. Hij begon zijn carrière bij het Rijksarchief in Noord-Brabant (nu BHIC). Toen hij gemeentearchivaris van Weert was, promoveerde hij in 2004 aan de Radboud Universiteit op het proefschrift  over rechtspraak en bestuur in Weert in de periode 1568-1795. In 2008 werd hij provinciaal historicus van Utrecht en de laatste jaren voor zijn pensionering werkte hij als consulent bij het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed (VIE) waar hij erfgoedgemeenschappen ondersteunde bij het plaatsen van hun tradities op de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed. Hij schreef boeken en artikelen over lokale en regionale geschiedenis in Nederland en over immaterieel cultureel erfgoed. Voor HOVO-Brabant geeft hij cursussen over schaduwkanten van de Gouden Eeuw en de geschiedenis van groepen mensen in de marge van de samenleving, waar Wassinks belangstelling naar uit gaat.

Over het onderzoek voor dit boek

Door zijn onderzoek en werk als archivaris is Jos Wassink thuis in de oude rechterlijke archieven. In de dossiers vindt hij, zoals hij zelf zegt, ‘prachtige beelden van het dagelijks leven.’ Het alledaagse, zoals gewoonten, gebruiken en tradities boeit hem. 

Toen Wassink na zijn pensionering op zoek ging naar een onderwerp voor historisch onderzoek ontdekte hij al snel dat het rijke oude rechterlijke archief van ’s-Hertogenbosch vele dossiers bevat over prostitutie. In de vestingstad bestond de clientèle vooral uit militairen. Met zijn voormalige vakbroeder en jaargenoot op de Archiefschool dr. Aart Vos, die ook gepensioneerd is, nam hij in december 2016 contact op om te horen of dossiers van de schepenbank van ’s-Hertogenbosch voldoende materiaal bevatten voor een onderzoek naar prostitutie. Vos had de criminele dossiers heel gedetailleerd ontsloten in het online databaseprogramma Dataschurk. Hij wist Wassink ervan te overtuigen dat de dossiers zeer interessante en rijke gegevens bevatten over dit onderwerp.

Enigszins verbaasd was Wassink over het feit dat er nog betrekkelijk weinig gedegen onderzoek is gedaan naar prostitutie in Nederlandse steden in de zeventiende en achttiende eeuw. In de geschiedschrijving over de vroegmoderne periode in Nederland is het onderwerp namelijk lange tijd doodgezwegen. In de standaardwerken over deze tijd van bijvoorbeeld A. Th. van Deursen en Maarten Prak vindt men amper een woord over prostitutie, terwijl die in alle steden volop aanwezig was. Alleen Lotte van de Pol publiceerde uitvoerig over de prostitutie in Amsterdam. In 1996 verscheen haar proefschrift Het Amsterdamse hoerdom. Pas het laatste decennium lijkt het tij onder invloed van belangstelling voor vrouwen- en gendergeschiedenis enigszins te keren. Manon van der Heijden besteedt in haar boek Misdadige vrouwen (2014) uitgebreid aandacht aan prostituees. Sanne Bos schreef in 2018 een mastercriptie over prostitutie in de achttiende eeuw in Den Haag. Behalve over Amsterdam is er nog geen monografie over prostitutie in een Nederlandse stad in druk verschenen.

Wassink ging maandenlang één of meerdere dagen per week naar het Stadsarchief van ’s-Hertogenbosch om de dossiers te bestuderen. Archiefmedewerkers wezen hem erop dat de dossiers gefotografeerd konden worden zodat hij ze thuis kon lezen. Hij verkoos echter het bestuderen van de originele stukken mede omdat hij wist dat ook allerlei krabbeltjes op de achterkant van het papier van belang konden zijn. Niet zelden beleefde hij nog de sensatie van het contact met de documenten. Hij genoot van het handgeschreven schrift van de griffier.Wassink: ‘Verrassend was de diepgravende interesse die de verhoorders van de opgepakte vrouwen toonden in de levenswandel van de arrestanten. Ik dacht meteen: hiermee kan ik een goed beeld scheppen van het dagelijks leven in de prostitutie.’ De verhoren verliepen volgens een bepaald stramien. Eerst werden persoonsgerichte vragen gesteld. De verhoorders vroegen naar de naam, de leeftijd, de geboorteplaats, het beroep, de verblijfplaatsen, de namen en de beroepen van de ouders. Ze wilden ook weten uit wat voor soort gezin de verdachte kwam, hoeveel broers en zussen ze had. Vervolgens werd dikwijls geïnformeerd wanneer de verdachte het ouderlijk huis had verlaten en waar ze toen was gaan wonen. Hoe kon ze zelf in haar onderhoud voorzien? Leefde ze met een man en had ze kinderen? Dikwijls wilde het gerecht weten wanneer de vrouw zich voor het eerst met prostitutie had ingelaten en hoe vaak ze contact met mannen had. Hoeveel geld ontving ze van klanten en welk deel moest ze daarvan eventueel afdragen aan kost- en huurgeld aan een bordeelhoudster. Het waren allemaal open vragen. De zaakgerichte vragen naar misdrijven waarvan ze verdacht werd, waren gesloten, suggestief en sturend. Justitie leek niet zozeer op zoek naar waarheidsvinding, maar meer naar bevestiging van hetgeen ze veronderstelde.

Wassink vond het wonderlijk dat de mannen, de klanten, niet gestraft werden. Officieel was namelijk voor iedereen, ook voor de Staatse soldaten, seks buiten het huwelijk niet toegestaan. Wassink ging daarvoor op zoek naar dossiers over berechting van militairen. De archieven van de garnizoenskrijgsraden in ’s-Hertogenbosch bleken verloren gegaan te zijn. Van een krijgsraad in Grave konden wel enkele stukken bestudeerd worden. In het Nationaal Archief in Den Haag zocht Wassink vergeefs in de archieven van de Hoge Krijgsraad. Militairen werden gezien als slachtoffers van de verleiding en werden nimmer veroordeeld voor prostitutiebezoek. Wel werden in archieven van met name de Gereformeerde Kerk in ’s-Hertogenbosch ernstige veroordelingen aangetroffen van mannen die niet voldeden aan de strenge zedelijke normen. Uit alle dossiers tezamen komt het beeld naar boven dat prostitutie in de garnizoensstad ’s-Hertogenbosch gedurende de hele Staatse periode welig tierde.

Anders dan veel mensen denken werd prostitutie vóór 1800 vooral georganiseerd door vrouwen. Het was vooral een vrouwenbedrijf waarbij de mannen een ondergeschikte rol speelden en natuurlijk klant waren. Van ‘pooiers’ was nog nauwelijks sprake. Wassink ziet prostitutie in nauwe samenhang met leven aan de onderkant van de maatschappij. Het was een wezenlijk aspect van het gewone en dagelijkse leven in de Brabantse vestingstad. Op verschillende plekken in de stad waren bordelen en tippelaarsters werden aangetroffen in het centrum, in alle steegjes en bij de vestingwerken rondom ’s-Hertogenbosch.

Aandacht in de media

https://www.bd.nl/den-bosch-vught/potje-seks-voor-een-gulden-of-stuk-vis-dat-was-vroeger-heel-normaal-in-den-bosch~a1198e75/

https://www.bastionoranje.nl/index.php?pagina=nieuws&categorie=215&artikel=18205

https://www.erfgoedshertogenbosch.nl/verhalen/hoeren-in-s-hertogenbosch-in-de-staatse-tijd

https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/het-leven-van-theresia-aldenhoven-in-een-bordeel-in-s-hertogenbosch

Annemarie van Lith-Droogleever Fortuijn – De armenzorg in het Land van Ravenstein in de achttiende eeuw

Mensen die afhankelijk zijn van de voedselbank of hun energierekening niet kunnen betalen. Of opvang van daklozen. Het is vaak in het nieuws. Maar hoe ging de zorg voor armen vroeger? Van de liefdadigheid en de bedeling in de steden weten we al best veel. Dat geldt nog niet voor het platteland. Annemarie van Lith-Droogleever Fortuijn uit Berlicum deed onderzoek naar de armenzorg in het Land van Ravenstein in de achttiende eeuw en schreef er een boek over. Naast de stad Ravenstein komt een hele reeks dorpen aan bod: Deursen, Dennenburg, Demen, Langel, Huisseling, Herpen, Schaijk, Reek, Veld, Uden, Boekel en Zeeland.

Annemarie van Lith studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna werkte ze 25 jaar lang als docent geschiedenis in het volwassenenonderwijs en gaf ze cursussen geschiedenis aan de Volksuniversiteit in ’s-Hertogenbosch. In die tijd was ze op zoek naar een onderwerp voor nieuw onderzoek. De armenzorg in het Land van Ravenstein kwam op haar pad. Het is een bijzonder project, legt Van Lith uit. ‘Een amateur-historicus was met dit onderwerp bezig, maar overleed helaas. Zo leek van een veelbelovend onderzoek niets terecht te komen. De Stichting Zuidelijk Historisch Contact vroeg me met dit onderzoek verder te gaan. Dat deed ik graag.’ Inhoudelijk was het echt een ontdekkingstocht. ‘Armenzorg op het katholieke platteland in het verleden is nog weinig onderzocht. Dit onderzoek is uniek voor Nederland.’

Van Lith werkte zich door de boekhouding van de armenzorg van de dorpen en bekeek testamenten. ‘Ik heb veel interessante informatie gevonden over de verschillende dorpen en hun inwoners.’ Van Lith ontdekte dat er in het Land van Ravenstein gemiddeld per persoon veel minder geld beschikbaar was dan in de steden. Ze kwam er ook achter dat de pastoor in dit gebied een belangrijke rol speelde bij de armenzorg. Net als elders in de Republiek ging het bij de uitgaven meestal om geld, kleding of brandstof, zo stelt ze vast. ‘Er kwamen in het Land van Ravenstein wel typische dorpsbehoeften bij: een koe, een varken, het bewerken van land.’

Arnoud-Jan Bijsterveld, hoogleraar Cultuur in Brabant aan de universiteit in Tilburg, prijst het boek: ‘We leren veel over de interne organisatie van de dorpen in het Land van Ravenstein. Indrukwekkend is de inkijk in het leven van talrijke arme sloebers, door ziekte en ongeluk getroffen families, en ouden van dagen die het hoofd niet boven water konden houden.’ Hij voegt daaraan toe dat het boek een goudmijn is voor mensen die hun stamboom willen uitdiepen: ‘want we komen heel wat persoonlijke en gezinsgeschiedenissen tegen.’

Het boek is te bestellen bij Uitgeverij Pictures Publishers á € 24,95.

Olivier Rieter – Leven in herinnering. Katholieke herinneringscultuur in Noord-Brabant

Weemoed en ergernis: die tegenstrijdige gevoelens bepalen de herinneringen aan het Rijke Roomse Leven. Het is de periode waarin de samenleving in Noord-Brabant werd gekenmerkt door het katholieke geloof. Olivier Rieter ging na hoe deze periode wordt verguisd, maar tegelijkertijd ook nostalgie oproept. Dit boek is gebaseerd op zijn vernieuwende onderzoek naar nostalgie, waarin hij dit begrip vanuit verschillende disciplines bestudeerde. Het werpt een nieuw licht op het verleden en op de manier waarop wij naar het verleden kijken.

Peter Bak – Een oord van bang wachten. Kamp Haaren 1941-1944

Tijdens de Duitse bezetting werd het grootseminarie bij Haaren, tussen Tilburg en ’s-Hertogenbosch, als gijzelaarskamp en ‘Polizeigefängnis’ gebruikt. Er zaten onder anderen verzetsstrijders, agenten van het beruchte Englandspiel en joodse burgers.

Onder de gijzelaars waren de latere premier Jan de Quay en industrieel Frits Philips. De gijzelaars hingen represailles boven het hoofd, de gevangenen waren in bange afwachting van hun verhoor, proces, vonnis en wegvoering. Van verschillende gedetineerden zijn de verhalen bekend, maar het ‘grote verhaal’ wordt nu voor het eerst gepresenteerd. Haaren was een kamp van levensgrote tegenstellingen: terwijl gijzelaars in de zon zaten, stapten joodse gevangenen in vrachtwagens die naar Westerbork reden. Van de drieduizend gevangenen zijn meer dan zeshonderd in een concentratiekamp omgekomen. Dit boek laat zien dat het gebouw als ‘plaats van herinnering’ – het is grotendeels nog in oorspronkelijke staat – een duidelijke plaats verdient op de historische kaart van Nederland.

Frans Voermans – Kartelvorming in een verdwenen industrie. Collectieve belangenbehartiging in de Nederlandse strohulzenindustrie, 1905-1960

De strohulzenindustrie in Zuid-Nederland was in de eerste helft van de twintigste eeuw een kleinschalige bedrijfstak die moeite had zich staande te houden tegenover de internationale concurrentie. De ondernemers in deze bedrijfstak trachtten zich staande te houden door samenwerking. Strohulzen waren in die tijd het belangrijkste verpakkingsmateriaal voor onder meer wijnflessen.

Frans Voermans onderzocht in hoeverre deze samenwerking en de kartelvorming die hiervan het gevolg was, succes had. Verder toetste hij dit kartel aan de theorievorming over kartelvorming en schetste hij een overzicht van de strohulzenindustrie.

Luc Brants – Van Willem II naar Roze Maandag. De zichtbaarheid van homoseksualiteit, sekse- en genderdiversiteit in Tilburg

Tilburg heeft een rijke geschiedenis als het gaat om homoseksualiteit en gender- en seksediversiteit. Een geschiedenis die veel verder terugreikt in de tijd dan Roze Maandag op de kermis en feitelijk begint in 1831, toen de toenmalige kroonprins Willem zich in Tilburg vestigde. Hij is de eerste van wie we zeker weten dat hij homoseksueel gedrag vertoonde.

Dit boek gaat over de lange weg van het doodzwijgen van de homoseksuele kant van de Willem II tot de uitbundige viering van Roze Maandag. Een weg die lang meanderde rond misdaad, schaamte en onderdrukking, om vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw van richting te veranderen naar een langzaam groeiend zelfbewustzijn. Vanaf die tijd was homoseksualiteit in Tilburg zichtbaar in het publieke domein. LHBTI’ers wisten vanaf de late jaren zeventig erkenning af te dwingen. Homoseksueel, sekse- en genderdivers gedrag drong langzaam door tot het dagelijks Tilburgse leven en werd, door de viering van Roze Maandag, zelfs onderdeel van de Tilburgse identiteit.

Piet Martens – Visserij in Noord-Brabant

In het westen en noorden van Noord-Brabant, de watergrens van de provincie, is eeuwenlang sprake geweest van een intensieve en grootschalige beroepsvisserij. In de zestiende en zeventiende eeuw werd er in de Biesbosch op zalm gevist. Bij Bergen op Zoom vist men nog steeds op ansjovis, waar de stad mede zijn culinaire roem aan te danken heeft. Vanuit Moerdijk waren op Hollands Diep en Haringvliet ankerkuilers actief. Ze deden dat met relatief grote schepen en ‘exporteerden’ deze visserijmethode later verder stroomopwaarts.

Dit boek biedt het eerste overzicht van de geschiedenis van de beroepsvisserij in Noord-Brabant, die voor plaatsen als Bergen op Zoom, Moerdijk, Geertruidenberg en Woudrichem van grote betekenis is geweest. De vissers zelf werden er echter niet rijk van: rond 1850 hoorde de helft van de beroepsvissers tot de minvermogenden. Ook aan de schepen waarmee werd gevist, wordt in dit boek aandacht besteed.

Arnoud-Jan Bijsterveld – House of Memories. Uncovering the Past of a Dutch Jewish Family

This book begins and ends with a house in the Dutch town of Tilburg. After the author bought the house, he discovered that a Jewish couple, Hans and Bertha Polak-Cohen, had it built for their family in 1928. As this family’s history was gradually being uncovered, there was one tragic story that stood out: the story of Bertram Polak, the couple’s son. Bertram’s family lived in this house until all but one managed to flee when the Nazis invaded the Netherlands in May 1940: Bertram was the only one to stay behind. In December 1941, he tried to escape to England with three friends, was betrayed, and eventually killed in Auschwitz on 17 August 1942. This book relates this history and shows what happens in the process of uncovering a traumatic past, affecting both the family’s next generations and the historian involved.

Harry Lintsen en Jan Korsten – De veerkracht van de Brabantse economie. De Kamers van Koophandel en de kracht van netwerken [1840-2015]

‘Het wonder van Brabant’ wordt de wederopstanding van de Brabantse economie wel genoemd. De provincie ging in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw door een diep dal. De textiel-, sigaren-, schoenen- en leerindustrie verdwenen en imposante bedrijven als DAF en Philips kwamen in zwaar weer. Maar Noord-Brabant kwam erbovenop. De provincie is nu een belangrijke drager van de Nederlandse concurrentiepositie en speelt een leidende rol in verschillende sectoren. Harry Lintsen en Jan Korsten volgen deze ontwikkelingen vanaf de negentiende eeuw vanuit het perspectief van de Kamers van Koophandel in de regio’s Tilburg, Eindhoven, ’s-Hertogenbosch en Breda. Zij hebben een belangrijke rol gespeeld in de omslag. Zo nam de Eindhovense Kamer eind twintigste eeuw samen met de gemeente en de Technische Universiteit het initiatief tot de fameuze Brainport. Een bijzonder staaltje van krachtig netwerken, waardoor de Brabantse economie zo veerkrachtig werd.