Sanne Stevens – De Vlucht uit Breda, 12 mei 1940
Kunt u iets over uzelf vertellen?
Ik werk als zelfstandig historicus. Mijn boek over de evacuatie van Breda in 1940 is bijna af. Daarnaast doe ik het onderzoek voor de gemeente Breda naar de geroofde Joodse huizen in de stad.
Waar komt de passie voor historisch onderzoek vandaan?
De liefde voor verhalen is er altijd geweest. Bij geschiedenis kon ik die liefde niet alleen kwijt omdat je als historicus verhalen over gebeurtenissen mag ontdekken, onderzoeken en vertellen, maar des te meer omdat je daarbij ook kijkt hoe een verhaal tot stand is gekomen, wat we ervan kunnen leren en hoe we het kunnen gebruiken om ons eigen leven en de wereld om ons heen vorm te geven.
Waar gaat uw onderzoek over?
De evacuatie van Breda op 12 mei 1940, ook wel ‘de Vlucht’ genoemd, waarbij alle inwoners de stad moesten verlaten om te voorkomen dat ze tussen de strijdende troepen in zouden belanden, met een chaotische vlucht richting het zuiden tot gevolg. Het was onduidelijk voor hoe lang ze weg zouden blijven en of er nog een stad zou zijn om naar terug te keren. Voor velen werd de poging het oorlogsgeweld te ontvluchten geen uitweg, maar een levensgevaarlijke tocht vol angst en ontberingen, waarbij ze alsnog tussen vechtende troepen en middenin bombardementen terecht kwamen.
Waarom bent u dit gaan onderzoeken?
In eerste instantie omdat, toen ik voor het eerst over de evacuatie hoorde, het me een wat ongeloofwaardig verhaal leek. Toen het geen schromelijke overdrijving bleek, vond ik het onbegrijpelijk dat het geen bekender verhaal buiten Breda was geworden. Ik zag daarnaast veel overeenkomsten met de verhalen van de vluchtelingen van nu en wilde laten zien dat we in Nederland niet alleen maar vluchtelingen opvangen, maar nog niet zo lang geleden zelf ook vluchtelingen waren.
Kunt u iets vertellen over waar u bij uw onderzoek tegenaan gelopen bent?
De ervaringen van meer dan 50.000 mensen zijn in de loop van de tijd steeds meer één algemeen verhaal geworden, wat ook steeds herhaald werd door de mensen met wie ik sprak. Steeds opnieuw kwamen dezelfde elementen terug: van heel globale verhalen over de routes die ze gelopen hadden waar onderling bijna geen verschil meer in zat, tot het specifieke detail dat ze allemaal een pan eten op het vuur achter hadden moeten laten. Bovendien gaat het al heel snel na de terugkeer van de Bredanaars over de zinloosheid van de evacuatie en over wie de schuld moest krijgen van de beslissing. Ook dat is een overheersend element geworden in dat algemene verhaal. Vooral het beschrijven van de groep die na een paar dagen wordt ingehaald door de Duitsers, omdat ze voor een dichte Belgische grens kwam te staan, en daardoor al snel weer naar huis terug kon keren, vond ik lastig. Omdat de vlucht van deze mensen zo kort duurde, is het verhaal nog meer veralgemeniseerd en ontdaan van details in vergelijking met de groep die België wel wist te bereiken. Het was daardoor soms ingewikkeld om dat overkoepelende verhaal weer te ontleden en op te schrijven als naast elkaar bestaande ervaringen.
Wat heeft u nog meer ontdekt?
Ik wilde in mijn boek expliciet aandacht besteden aan de groep Joodse vluchtelingen die samen met de rest van de Bredanaars de stad moesten verlaten. In het algemene verhaal over de Vlucht blijven zij onbesproken. Deze groep bestaat uit Bredase Joden, maar ook uit Joodse vluchtelingen die vanuit Duitsland in Breda waren beland. Sommige Joden besluiten de Vlucht aan te grijpen om verder door te vluchten en het verloop van de oorlog in het buitenland af te wachten. Voor hen was de evacuatie hun redding, maar dat geldt niet voor alle Joden. Waar ik van veel van de Bredase vluchtelingen herhaaldelijk hoor en lees dat ze de Duitsers aan het begin van de oorlog nog zo galant vonden, wordt het gevaar voor de Joodse vluchtelingen al tijdens de evacuatie duidelijk. Sommigen werden tijdens hun vlucht opgepakt in België en naar concentratiekamp Gurs gebracht, of mogen niet meer naar Nederland terugkeren.
Ondanks dat er niet veel informatie over deze groep te vinden was, ben ik blij dat ik ze toch een plek heb kunnen geven in het verhaal over de Vlucht.
Jan Timmermans – Katholiek lager onderwijs in Tilburg 1832-1932
Kunt u iets over uzelf vertellen?
Geboren in 1938 onder de aanvliegroute van vliegveld Gilze-Rijen heb ik vier jaar de aanvallen van de geallieerden op het vliegveld gezien en gehoord, om daarna nog een jaar de aanvallen van de Duitsers mee te maken. Vanwege die omstandigheden heeft de kleuterschool mij niet gezien, terwijl ik ook pas rond kerst naar klas één van de lagere school ging, om die door ziekte een jaar te onderbreken. Uiteindelijk heb ik voldoende uren in het onderwijs doorgebracht, want pas in 1982 liet ik het onderwijs achter me. Het laatst in de functie van docent onderwijskunde aan een pedagogische academie. In mijn bezigheden als wethouder was onderwijs een belangrijk onderdeel, zeker ook, omdat ik al die tijd lid was van de commissie onderwijs van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Na mijn terugtreden in 1994 heb ik wel veel bestuurlijke activiteiten verricht, maar sporadisch binnen het onderwijs.
Waar komt de passie voor historisch onderzoek vandaan?
Tijdens mijn ‘werkzaam leven’ heb ik heel vaak geprobeerd te achterhalen waarom iemand dacht en handelde zoals ik het dacht waar te nemen. Soms ontdekte ik dat er sprake was van een soort automatisch teruggrijpen op vroegere (verouderde vond ik) standpunten. Als ik die waarneming uitspraak, merkte ik bij betrokken personen en heroverweging van hun standpunt. Heerlijk waren de gesprekken in landelijk verband met collega’s uit andere steden als het ging over de relatie tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Natuurlijk hadden ze gelijk als ze stelden dat het katholieke lager en voortgezet onderwijs in Tilburg (en andere katholieke steden) zich wel erg dominant gedroegen. Maar bij doorvragen kwam ik er achter dat in steden met heel veel openbaar onderwijs, de overheersing aan de andere kant lag. Gelukkig besteedden we meer tijd aan het proberen op te lossen van echte onderwijsproblemen, zoals de uitval van veel jongeren uit het onderwijs.
Waarom bent u dit gaan onderzoeken?
Voor mij waren de contacten met veel aspecten van het onderwijs redenen om eens te kijken hoe dat katholieke lager onderwijs zich in Tilburg had ontwikkeld. Het begin was heel duidelijk: in 1832 werd de eerste katholieke lagere school gesticht. Een school voor arme meisjes uit parochie ’t Heike. Ik wilde voor WO II eindigen, want de bestudering van het onderwijs tijdens de oorlog vraagt een eigen aanpak, terwijl na 1945 langzaam het “Rijke Roomsche Leven”, zich naar een voltooiing bewoog. Vraagt ook een eigen benadering.
Kunt u iets vertellen over waar u bij uw onderzoek tegenaan gelopen bent?
Bij de bestudering van gemeentelijke stukken, zoals jaarverslagen en informatie die raadsleden te lezen kregen en hun reactie daarop in de gemeenteraad, valt steeds weer op dat het gemeentebestuur het maken van beleid over liet aan het maatschappelijk initiatief. Dat was gedurende een groot gedeelte van de negentiende eeuw algemeen gangbaar in het denken van de overheid. Tilburg was ‘gezegend’ met de aanwezigheid van veel religieuzen (priesters, zusters en fraters), die met beide handen hun kans grepen. Kijkend met de ogen van nu kunnen vraagtekens (positief en kritisch) geplaatst worden bij verschillende activiteiten, maar toen waren de uitvoerenden kinderen van hun tijd, zoals wij dat van de onze zijn.
Een tweede opvallend punt is het denken en handelen met betrekking tot het ‘doorleren’. Bij de arbeidsenquête van 1887 was er bij de ondervraagden weinig/geen belangstelling voor het verlengen van de lagere school. Ook het schoolhoofd, frater Xaverius Dijkhoff, had meer begrip voor de verwachting van de ouders dat het kind een bijdrage zou leveren aan het gezinsinkomen. Na de invoering van de leerplicht in 1900 werd voor een aantal kinderen uit arbeiderskringen, lager onderwijs geen eindonderwijs meer. Er kwamen ook meer mogelijkheden voor voortgezet onderwijs, maar het heeft nog decennia geduurd voordat het gebruik maken van voortgezet onderwijs echt algemeen gangbaar werd. Welke rol de individuele frater-onderwijzers gespeeld hebben in dit dossier is moeilijk te achterhalen, maar bij zijn bezwaar tegen de leerplicht schreef Pater Superior De Beer in 1899 omfloerst dat niet alle kinderen dezelfde leerweg hoefden te volgen.
Wat heeft u nog meer ontdekt?
Interessant is ook het verschijnsel ‘werkschool’. De werkschool verschijnt in verschillende gedaanten in de vakliteratuur, maar nergens kom je informatie tegen over de werkwijze van zo’n school. In de meest negatieve vorm werd aan meisjes uit arme gezinnen naailes en breiles gegeven, gelardeerd met tuttig godsdienstonderwijs. Misschien is wel de meest positieve ontdekking dat in Nederland de werkschool veel minder kansen heeft gekregen dan bijvoorbeeld in België.
In het boek besteden we veel aandacht aan het klassikaal onderwijssysteem dat vanaf 1806 het hoofdelijk onderwijs opvolgde. Het systeem werd steeds geperfectioneerd, om in 1932 een soort einddoel te bereiken. Belangrijk is dat onverbrekelijk met het onderwijssysteem de onderwijsgebouwen waren. En daar staan er nog veel van in de stad, functionerend of met een andere invulling.